Spelregels

Padel woordenboek: alle termen die je moet kennen

Uppadel Team
8 min lezen
Padel woordenboek: alle termen die je moet kennen

Padel heeft een eigen taal. Termen als bandeja, víbora en chiquita vliegen je om de oren als je op de baan staat. En de scoretelling? Die is net even anders dan bij veel andere sporten. In dit complete padel woordenboek leggen we alle belangrijke termen uit die je als padelspeler moet kennen, van beginner tot gevorderd.

Bewaar deze pagina als handige referentie en je hoeft nooit meer te googelen wat een bepaalde term betekent.

Welke slagen zijn er bij padel?

Padel kent een rijke variatie aan slagen, waarvan de meeste hun oorsprong hebben in het Spaans. Hier zijn de belangrijkste:

  • Bandeja. Een defensieve overhead slag die je boven je hoofd speelt met een plat racket. Je snijdt de bal zodat hij laag en gecontroleerd over het net gaat. De bandeja is de meest gebruikte overhead slag en ideaal om de netpositie te behouden zonder onnodig risico te nemen.
  • Víbora. Een agressievere variant van de bandeja. Je slaat de bal met meer spin en snelheid, waardoor hij na de stuit laag en snel van de zijwand afspringt. Dit is een aanvallende slag die lastig te retourneren is.
  • Chiquita. Een zachte, lage bal die je speelt vanuit de achterkant van de baan naar de voeten van de tegenstander aan het net. Het doel is om hen te dwingen de bal laag op te spelen, zodat jij kunt aanvallen. De naam komt van het Spaanse woord voor "klein".
  • Globo (lob). Een hoge bal over de tegenstanders heen, gericht op de achterkant van de baan. Een goed geplaatste globo dwingt de tegenstanders van het net weg en geeft jou de kans om zelf het net in te nemen.
  • Smash. De hardste slag bij padel, uitgevoerd boven het hoofd. Een smash is bedoeld om het punt direct af te maken. Bij padel kan de smash ook als "por tres" (uit de baan via het glas) worden gespeeld.
  • Bajada. Een aanvallende slag die je speelt nadat de bal hoog tegen de achterwand stuitert. Je slaat de bal op het moment dat hij van het glas terugkomt, nog voordat hij een tweede keer de grond raakt.
  • Volley. Een slag waarbij je de bal uit de lucht neemt, zonder dat hij de grond raakt. Bij padel speel je de meeste volleys aan het net.
  • Rulo. Een geavanceerde overhead slag met veel topspin. De bal draait sterk na de stuit, waardoor hij onvoorspelbaar van de wand afspringt. Een lastige slag om te beheersen, maar zeer effectief.
  • Dejada. Een dropshot: een zacht tikje net over het net, bedoeld om de tegenstander te verrassen als die ver achter in de baan staat.
  • Forehand. Een slag aan de zijde van je dominante hand (rechts voor rechtshandigen).
  • Backhand. Een slag aan de zijde tegenover je dominante hand (links voor rechtshandigen).
  • Contrapared. Een slag die je speelt nadat de bal eerst de zijwand en dan de achterwand raakt (of andersom). Een technisch uitdagende bal.

Hoe werkt de scoretelling bij padel?

De scoretelling bij padel is grotendeels hetzelfde als bij tennis, maar er zijn een paar belangrijke verschillen:

  • Punten. 15, 30, 40, game. Identiek aan tennis.
  • Deuce. Als beide teams op 40-40 staan. Bij regulier padel volgen er dan advantage-punten tot iemand twee punten voorsprong heeft.
  • Advantage (voordeel). Na deuce: het team dat het volgende punt wint heeft "advantage". Win je daarna nog een punt, dan win je de game.
  • Golden point. In veel competities en toernooien wordt bij deuce een "golden point" gespeeld: één beslissend punt. Het returnende team mag kiezen aan welke kant ze de service ontvangen. Dit versnelt het spel en maakt het extra spannend.
  • Tiebreak. Bij 6-6 in een set wordt een tiebreak gespeeld. Het eerste team dat 7 punten haalt (met minimaal 2 punten verschil) wint de set.
  • Set. Een set wordt gewonnen door het team dat als eerste 6 games wint, met minimaal 2 games verschil.
  • Let. Als de service het net raakt maar toch in het juiste servicevak belandt. De service wordt overgedaan.

Welke onderdelen heeft een padelbaan?

Een padelbaan is 20 meter lang en 10 meter breed, omsloten door wanden. Hier zijn de belangrijke termen:

  • Servicevak. Het vak waarin de service moet landen, diagonaal tegenover de server. Elke helft heeft twee servicevakken.
  • T-lijn (servicelijn). De lijn die de servicevakken aan de achterkant begrenst, op 6,95 meter van het net.
  • Achterwand. De wand achter de spelers, deels van glas (de onderste 3 meter) en deels van hekwerk (de bovenste meter). Ballen mogen via de achterwand worden teruggespeeld.
  • Zijwand. De wanden aan de zijkanten van de baan, een combinatie van glas en hekwerk. De eerste 4 meter vanaf de achterkant is glas, daarna hekwerk.
  • Hekwerk (malla). Het metalen gaas bovenop of naast het glas. Een bal die het hekwerk raakt gedraagt zich anders dan een bal die het glas raakt.
  • Net. Het net in het midden is 88 cm hoog in het midden en 92 cm aan de zijkanten, iets lager dan een tennisnet.

Welke speltermen moet je kennen bij padel?

Naast slagen en baan-onderdelen zijn er algemene speltermen die je regelmatig hoort:

  • Rally. De uitwisseling van slagen nadat de service in het spel is gebracht, tot het punt is afgelopen.
  • Break. Een game winnen terwijl de tegenstander serveert.
  • Service (saque). De onderhands geslagen bal waarmee elk punt begint. Bij padel moet de bal eerst op de grond stuiteren voordat je hem onder heuphoogte slaat.
  • Return (resto). De slag waarmee je de service retourneert.
  • Net approach. Naar het net lopen om een dominante positie in te nemen. Bij padel is de netpositie cruciaal voor het winnen van punten.
  • Por tres. Letterlijk "via drie": een smash die zo hard wordt geslagen dat de bal over het glas van de achterwand heen en uit de baan vliegt. Dit is direct punt.
  • Por cuatro. Een smash die over de zijwand de baan uit gaat.
  • Puntito. Een kort, tactisch gespeeld punt met zachte ballen en geduld.

Welke padel niveaus zijn er?

Bij padel worden verschillende niveausystemen gebruikt. De meest gangbare indeling:

  • Beginner (1.0–2.0). Je bent net begonnen en leert de basisregels en -slagen.
  • Gemiddeld (2.5–3.5). Je beheerst de basisslagen, kunt een rally spelen en begint tactisch te denken.
  • Gevorderd (4.0–5.0). Je beheerst de meeste slagen (inclusief bandeja en víbora), speelt tactisch en kunt het glas goed gebruiken.
  • Expert (5.5–7.0). Je speelt op competitieniveau met uitstekende techniek, tactiek en fysiek.

Wil je meer weten over de verschillende niveaus en hoe ze zich verhouden tot Playtomic en KNLTB? Lees dan ons artikel over padel niveaus uitgelegd.

Hoe kun je al deze termen in de praktijk leren?

De beste manier om padeltermen te leren is door te spelen. Hoe meer wedstrijden je speelt, hoe sneller je de taal van de sport oppikt. Een ladder competitie is daarvoor ideaal: je speelt regelmatig tegen wisselende tegenstanders en leert automatisch nieuwe technieken en termen kennen. Klaar om te beginnen? Meld je vandaag nog aan en ervaar het zelf.

Klaar om te spelen?

Doe mee aan een padel ladder competitie bij jou in de buurt.